Inhoudsopgave
Hoe vermenigvuldig je een breuk met een natuurlijk getal?
Als je heel getal wilt vermenigvuldigen met een breuk, dan kun je dat hele getal vermenigvuldigen met de teller van die breuk. Dit komt omdat je een getal ook als breuk kunt opschrijven. Het is gelijk aan dat hele getal gedeeld door één. Dus 7 = 7/1.
Hoe moet je een breuk delen door een breuk?
Een belangrijke regel is dat een getal delen door een breuk hetzelfde is als het getal vermenigvuldigen met het omgekeerde van de breuk. Ook hiervoor geldt de regel: Een breuk delen door een breuk is hetzelfde als de breuk vermenigvuldigen met het omgekeerde van de breuk.
Hoe moet je rekenen met breuken?
Bij een breuk bereken je eerst alles boven de deelstreep, vervolgens alles onder de deelstreep en dáárna deel je het pas door elkaar. Als geheugensteuntje kun je doen alsof alles zowel boven als onder de deelstreep tussen haakjes staat. Als je een breuk tegenkomt, wil je die zo ver mogelijk vereenvoudigen.
Waarom breuken vermenigvuldigen?
Nóg sneller gaat het, als je getallen tegen elkaar kunt wegstrepen. Nog een voorbeeld: Als je twee breuken met elkaar vermenigvuldigt, is er ook een snellere manier: vermenigvuldig de getallen boven de streep met elkaar en vermenigvuldig de getallen onder de streep met elkaar.
Hoe reken je een breuk uit?
Hoe moet je breuken keer doen?
Een breuk vermenigvuldigen met een breuk (bovenbouw)
- Teller x teller. Vermenigvuldig eerst de tellers van de breuk met elkaar. 9 x 8 = 72.
- Noemer x noemer. Vermenigvuldig daarna de noemers met elkaar. 10 x 9 = 90.
- Reken de som uit. De antwoorden van stap 1 en stap 2 vormen samen het antwoord op de som.
Hoe doe je Plus met breuken?
Hoe werkt het optellen van breuken? Bij het optellen van breuken moet je eerst zorgen dat de noemers gelijk zijn en tel je de tellers bij elkaar op. Als de noemers niet gelijk zijn moeten deze eerst gelijknamig gemaakt worden. Om breuken op te tellen is van belang dat deze gelijknamig zijn.
Hoe maak je een breuk?
Vermenigvuldig de noemer van de eerste breuk met de teller van de tweede breuk. De breuk 1⁄3 is dan gelijk aan 4⁄12 . Bereken voor de eerste breuk ook de teller. Vermenigvuldig de noemer van de tweede breuk met de teller van de eerste breuk.
Hoe bereken je de breuken?
Als de noemers gelijk zijn kunnen de tellers bij elkaar worden opgeteld of van elkaar worden afgetrokken.
- breuk + breuk=teller + tellernoemer.
- breuk – breuk=teller – tellernoemer.
Hoe een breuk vermenigvuldigen?
Waarom moeten we breuken leren?
“Op de middelbare school werken leerlingen bij wiskunde A en B met formules, kennis van breuken is daarbij onmisbaar. En als je breuken vroeg aanleert, is dat goed voor de intuïtie. Dat maakt dingen makkelijker.” Heel veel kinderen hebben best wel veel moeite met breuken, merkt basisschoolleraar Kees Sreyee op.